Lees de tekst en probeer de betekenis van de vetgedrukte woorden te raden.
Een weekendje weg
Vorige maand ging ik met mijn vriendin een weekend naar Maastricht. Onze bestemming lag in het zuiden van Nederland. We vertrokken op vrijdagochtend met de trein. De reis duurde ongeveer twee uur.
We namen alleen een kleine koffer mee. Natuurlijk vergaten we ons paspoort niet, want je weet maar nooit. Toen we op het station aankwamen, liepen we naar ons hotel. Daar zouden we twee nachten overnachten.
Op zaterdag maakten we een lange wandeling door de oude binnenstad. We bezochten verschillende bezienswaardigheden, zoals oude kerken en gezellige pleinen. Daarna gingen we op een terras zitten. We proefden een stuk Limburgse vlaai en dronken een kop koffie.
‘s Middags liepen we naar een heuvel net buiten de stad. Daar hadden we een prachtig uitzicht over de omgeving. Het was mooi weer en we konden heerlijk ontspannen.
Op zondag gingen we met een gids door een oude grot. We leerden veel over de geschiedenis van de stad. In de middag namen we de trein terug naar huis.
Het was geen lange vakantie, maar wel een heel fijn weekend. We hebben veel mooie herinneringen gemaakt en willen volgend jaar weer een nieuwe reis plannen.
Woordenschat – Reizen (A2)
| Woord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| de vakantie | een periode waarin je vrij bent van werk of school | In de zomervakantie ga ik naar Spanje. |
| de bestemming | de plaats waar je naartoe reist | Onze bestemming is Maastricht. |
| vertrekken | weggaan, op reis gaan | De trein vertrekt om negen uur. |
| aankomen | op een plaats arriveren | We komen om drie uur aan op het station. |
| de koffer | een grote tas voor kleding en andere spullen | Mijn koffer is erg zwaar. |
| het paspoort | een officieel document waarmee je naar andere landen kunt reizen | Vergeet je paspoort niet! |
| het vervoer | de manier waarop je reist, bijvoorbeeld met de trein of de auto | De trein is een populair vervoermiddel. |
| overnachten | ergens slapen tijdens een reis | We overnachten twee nachten in een hotel. |
| het uitzicht | wat je vanaf een bepaalde plek kunt zien | Vanaf de berg heb je een prachtig uitzicht. |
| de bezienswaardigheid | een interessante plek die veel toeristen bezoeken | De Eiffeltoren is een bekende bezienswaardigheid. |
| de wandeling | een tocht te voet | We maakten een lange wandeling door het bos. |
| de gids | iemand die informatie geeft over een stad of een museum | De gids vertelde veel over de geschiedenis. |
| proeven | de smaak van eten of drinken proberen | Ik wil graag de lokale kaas proeven. |
| ontspannen | uitrusten en rustig worden | Op vakantie kan ik goed ontspannen. |
| de herinnering | iets wat je je later nog goed kunt herinneren | We hebben veel mooie herinneringen aan onze vakantie. |
Oefening – Vul het juiste woord in
de vakantie – de bestemming – vertrekken – aankomen – de koffer – het paspoort – het vervoer – overnachten – het uitzicht – de bezienswaardigheid – de wandeling – de gids – proeven – ontspannen – de herinnering
1.
Voordat je naar een ander land reist, moet je je __________ meenemen.
2.
We gaan volgende maand op __________ naar Italië.
3.
Onze __________ is een klein dorpje aan zee.
4.
De trein __________ om 08.15 uur vanaf spoor 4.
5.
Na drie uur reizen __________ we op het station in Utrecht.
6.
Mijn __________ is te zwaar. Ik heb te veel kleding meegenomen.
7.
In dit hotel kunnen we twee nachten __________.
8.
Vanaf de toren heb je een prachtig __________ over de stad.
9.
Het Rijksmuseum is een populaire __________ in Amsterdam.
10.
Na het ontbijt maakten we een lange __________ langs het strand.
11.
De __________ vertelde interessante verhalen over de geschiedenis van de stad.
12.
In Spanje wil ik graag de lokale gerechten __________.
13.
Na een drukke werkweek ga ik graag naar het bos om te __________.
14.
De trein is een comfortabel __________ om door Nederland te reizen.
15.
Deze reis blijft een mooie __________ voor ons hele gezin.
