De voltooid tegenwoordige tijd (VTT)
De voltooid tegenwoordige tijd (VTT) gebruik je om te praten over iets dat al is gebeurd.
Hoe maak je de VTT
De VTT bestaat uit:
hebben / zijn + voltooid deelwoord
Voorbeelden:
- Ik heb een boek gelezen.
- Zij heeft haar huiswerk gemaakt.
- Wij zijn naar huis gegaan.
Wanneer gebruik je de VTT
1. Een gebeurtenis die is afgelopen
De actie is klaar.
Voorbeelden:
- Ik heb gisteren boodschappen gedaan.
- We zijn op vakantie geweest.
- Hij heeft de e-mail verstuurd.
2. Een ervaring
Je vertelt dat je iets ooit hebt meegemaakt.
Voorbeelden:
- Ik heb ooit in België gewoond.
- Heb je weleens sushi gegeten?
- Zij is nog nooit in Azië geweest.
3. Een resultaat in het heden
De actie is voorbij, maar het resultaat is nu nog zichtbaar.
Voorbeelden:
- Ik heb mijn sleutels gevonden.
- Ze heeft de deur gesloten.
- We zijn verhuisd.
Hebben of zijn?
Gebruik hebben
De meeste Nederlandse werkwoorden gebruiken hebben.
Voorbeelden:
- Ik heb gewerkt.
- Zij heeft gekookt.
- Wij hebben gelachen.
- Hij heeft gebeld.
Gebruik zijn
Gebruik zijn vooral bij:
1. Beweging van A naar B
- gaan
- komen
- vertrekken
- aankomen
- reizen
- verhuizen
- terugkomen
Voorbeelden:
- Ik ben naar Amsterdam gegaan.
- De trein is vertrokken.
- We zijn laat aangekomen.
2. Verandering van toestand
- worden
- sterven
- groeien
- stijgen
- dalen
- herstellen
- verdwijnen
- verwelken
Voorbeelden:
- Mijn opa is 80 geworden.
- De prijzen zijn gestegen.
- De patiënt is hersteld.
Oefening B1 – Voltooid tegenwoordige tijd (hebben of zijn)
Vul in: hebben of zijn + voltooid deelwoord
1.
Ik ______ gisteren naar mijn werk ______ (gaan).
2.
Wij ______ een lange wandeling ______ (maken).
3.
Zij ______ vorige week naar Spanje ______ (reizen).
4.
Hij ______ zijn huiswerk al ______ (doen).
5.
De trein ______ om 08.00 uur ______ (vertrekken).
6.
Ik ______ mijn telefoon niet ______ (vinden).
7.
We ______ laat thuis ______ (komen).
8.
De kinderen ______ de hele middag buiten ______ (spelen).
9.
Mijn opa ______ 80 jaar ______ (worden).
10.
Jullie ______ het examen goed ______ (maken).
11.
De prijzen ______ de afgelopen maanden flink ______ (stijgen).
12.
Ik ______ mijn sleutels ergens ______ (laten liggen).
13.
Ze ______ gisteren een taart ______ (bakken).
14.
We ______ naar een nieuw huis ______ (verhuizen).
15.
Hij ______ zijn been ______ (breken).
Oefening B1 – VTT (alleen voltooid deelwoord)
Vul alleen het juiste voltooid deelwoord in.
1.
Ik heb gisteren een interessant boek ______ (lezen).
2.
Wij zijn om 7 uur uit huis ______ (vertrekken).
3.
Zij is haar vriendin in de stad ______ (tegenkomen).
4.
De studenten hebben de toets goed ______ (maken).
5.
Hij is naar een andere stad ______ (verhuizen).
6.
Ik heb mijn jas in de trein ______ (vergeten).
7.
De kinderen hebben de hele middag buiten ______ (spelen).
8.
We zijn laat op het feest ______ (blijven).
9.
De docent heeft de opdrachten al ______ (nakijken).
10.
Mijn ouders hebben vorig jaar een nieuwe auto ______ (kopen).
11.
De trein is om 18.10 uur ______ (aankomen).
12.
Ik heb mijn sleutelbos nergens ______ (vinden).
13.
De prijzen zijn dit jaar flink ______ (stijgen).
14.
Wij hebben samen aan het project ______ (werken).
15.
Hij heeft een fout in de berekening ______ (maken).
