Vrije tijd – Woorden en uitdrukkingen
- vrije tijd – de tijd waarin je niet werkt of studeert
- een hobby hebben – iets graag doen in je vrije tijd
- zich ontspannen – tot rust komen
- uitrusten – rust nemen na inspanning
- een wandeling maken – voor je plezier of ontspanning wandelen
- gaan fietsen – een fietstocht maken
- afspreken met vrienden – elkaar ontmoeten
- een boek lezen – tijd besteden aan lezen
- naar de bioscoop gaan – een film in de bioscoop bekijken
- een concert bezoeken – naar een muziekoptreden gaan
- sporten – aan sport doen
- zwemmen – zich in het water voortbewegen
- op vakantie gaan – voor ontspanning naar een andere plaats reizen
- kamperen – in een tent of caravan verblijven
- foto’s maken – fotograferen
- muziek luisteren – naar muziek luisteren
- een spelletje spelen – een spel spelen, bijvoorbeeld een bordspel of kaartspel
- tijd doorbrengen met familie – samen tijd met familie besteden
- eropuit gaan – een uitstapje maken of ergens naartoe gaan voor je plezier
- nieuwe mensen leren kennen – nieuwe contacten maken
Oefening – Multiple choice
Kies het juiste woord of de juiste uitdrukking.
Woorden en uitdrukkingen:
vrije tijd – een hobby hebben – zich ontspannen – uitrusten – een wandeling maken – gaan fietsen – afspreken met vrienden – een boek lezen – naar de bioscoop gaan – een concert bezoeken – sporten – zwemmen – op vakantie gaan – kamperen – foto’s maken – muziek luisteren – een spelletje spelen – tijd doorbrengen met familie – eropuit gaan – nieuwe mensen leren kennen
1.
Na een drukke werkdag ga ik graag ________.
A. kamperen
B. zich ontspannen
C. een hobby hebben
2.
In mijn ________ lees ik graag romans.
A. vakantie
B. vrije tijd
C. hobby
3.
In het weekend wil ik graag ________ om frisse lucht te krijgen.
A. een wandeling maken
B. een spelletje spelen
C. foto’s maken
4.
Mijn broer houdt van voetbal. Hij ________ al sinds zijn jeugd.
A. gaat op vakantie
B. sport
C. bezoekt een concert
5.
Deze zomer willen we met een tent in de Ardennen ________.
A. kamperen
B. zwemmen
C. uitrusten
6.
Na de marathon moest ik een paar uur ________.
A. uitrusten
B. muziek luisteren
C. afspreken met vrienden
7.
We hebben kaartjes gekocht om volgende week ________.
A. naar de bioscoop te gaan
B. een concert te bezoeken
C. te gaan fietsen
8.
Op zaterdag ga ik vaak ________ in het bos.
A. gaan fietsen
B. foto’s maken
C. een boek lezen
9.
Ik heb altijd al graag geschilderd. Ik ________.
A. heb een hobby
B. ga eropuit
C. rust uit
10.
Als het warm is, ga ik graag in het meer ________.
A. sporten
B. zwemmen
C. kamperen
11.
Vanavond spreken we af om samen ________.
A. een spelletje te spelen
B. foto’s te maken
C. te zwemmen
12.
Ik houd van actiefilms, dus vanavond ga ik ________.
A. een boek lezen
B. naar de bioscoop
C. op vakantie
13.
Tijdens onze reis vinden we het leuk om veel ________.
A. foto’s te maken
B. te sporten
C. uit te rusten
14.
Na het werk vind ik het fijn om even ________.
A. muziek te luisteren
B. muziek te luisteren naar
C. muziek luisteren
15.
In de zomervakantie willen we twee weken ________ naar Italië.
A. op vakantie gaan
B. een hobby hebben
C. een concert bezoeken
16.
In het weekend vind ik het belangrijk om ________.
A. tijd door te brengen met familie
B. een boek lezen
C. kamperen
17.
Als ik nieuwe steden bezoek, ga ik graag ________.
A. eropuit
B. uitrusten
C. sporten
18.
Op reis vind ik het leuk om ________ uit andere landen.
A. nieuwe mensen te leren kennen
B. een wandeling te maken
C. foto’s te maken
19.
Mijn favoriete manier om te ontspannen is ________.
A. een boek lezen
B. boetes uitschrijven
C. files vermijden
20.
Elke vrijdag ________ we om samen iets te eten of te drinken.
A. spreken we af met vrienden
B. gaan we kamperen
C. bezoeken we een concert
