30 eerste woorden en uitdrukkingen in het Nederlands (A1)
- hallo – een begroeting wanneer je iemand ontmoet
- goedemorgen – begroeting in de ochtend
- goedemiddag – begroeting in de middag
- goedenavond – begroeting in de avond
- tot ziens – afscheid nemen
- dag – een informele begroeting of afscheid
- alsjeblieft – als je iets geeft of vriendelijk iets vraagt
- dank je wel – om iemand te bedanken
- graag gedaan – reactie op «dank je wel»
- sorry – zeggen dat je ergens spijt van hebt of om excuses vragen
- hoe gaat het? – vragen hoe iemand zich voelt
- het gaat goed – zeggen dat alles goed is
- ik heet … – je naam zeggen
- hoe heet je? – naar iemands naam vragen
- ik kom uit … – vertellen uit welk land of welke stad je komt
- waar kom je vandaan? – vragen waar iemand vandaan komt
- ik woon in … – vertellen waar je woont
- waar woon je? – vragen waar iemand woont
- ik spreek een beetje Nederlands – zeggen dat je een klein beetje Nederlands spreekt
- ik begrijp het niet – zeggen dat je iets niet begrijpt
- kunt u dat herhalen? – beleefd vragen om iets opnieuw te zeggen
- wat betekent dat? – vragen naar de betekenis van een woord of uitdrukking
- hoe laat is het? – naar de tijd vragen
- hoeveel kost het? – naar de prijs vragen
- ik zou graag … willen – beleefd zeggen wat je wilt
- mag ik…? – beleefd toestemming vragen
- waar is het toilet? – vragen waar het toilet is
- ik heb hulp nodig – zeggen dat je hulp nodig hebt
- tot morgen – afscheid nemen als je iemand de volgende dag weer ziet
- fijne dag! – iemand een prettige dag wensen
Oefening I – Vul het juiste woord of de juiste uitdrukking in
Gebruik elk woord of elke uitdrukking één keer.
Woorden:
hallo – goedemorgen – goedemiddag – goedenavond – tot ziens – dag – alsjeblieft – dank je wel – graag gedaan – sorry – hoe gaat het? – het gaat goed – ik heet … – hoe heet je? – ik kom uit … – waar kom je vandaan? – ik woon in … – waar woon je? – ik spreek een beetje Nederlands – ik begrijp het niet – kunt u dat herhalen? – wat betekent dat? – hoe laat is het? – hoeveel kost het? – ik zou graag … willen – mag ik…? – waar is het toilet? – ik heb hulp nodig – tot morgen – fijne dag!
- Je ontmoet iemand om acht uur ‘s ochtends. Je zegt: __________________________.
- Iemand bedankt je. Jij antwoordt: __________________________.
- Je wilt weten hoe iemand heet. Je vraagt: __________________________
- Je begrijpt de uitleg van de docent niet. Je zegt: __________________________.
- Je wilt weten hoeveel een brood kost. Je vraagt: __________________________
- Je wilt iets bestellen in een café. Je zegt: __________________________ een kop koffie __________________________.
- Je wilt weten waar de wc is. Je vraagt: __________________________
- Je ontmoet iemand in de middag. Je zegt: __________________________.
- Je neemt afscheid van een collega die je morgen weer ziet. Je zegt: __________________________.
- Iemand vraagt hoe het met je gaat. Je antwoordt: __________________________.
- Je hebt iemand per ongeluk aangestoten. Je zegt: __________________________.
- Je wilt weten waar iemand woont. Je vraagt: __________________________
- Je geeft iemand een boek. Je zegt: __________________________.
- Je hebt een probleem en je wilt hulp. Je zegt: __________________________.
- Je neemt afscheid en wenst iemand iets aardigs. Je zegt: __________________________.
Oefening II – Multiple choice
1.
Je ontmoet een vriend om 19.00 uur. Wat zeg je?
A. Goedemorgen.
B. Goedenavond.
C. Tot morgen.
2.
Iemand zegt: «Dank je wel.» Wat antwoord je?
A. Graag gedaan.
B. Hallo.
C. Sorry.
3.
Je begrijpt een woord niet. Wat vraag je?
A. Waar woon je?
B. Wat betekent dat?
C. Hoe laat is het?
4.
Je wilt weten uit welk land iemand komt. Wat vraag je?
A. Hoe heet je?
B. Waar kom je vandaan?
C. Waar woon je?
5.
Je wilt toestemming vragen om een stoel te gebruiken. Wat zeg je?
A. Mag ik…?
B. Tot ziens.
C. Hoeveel kost het?
6.
Je wilt weten hoe laat het is. Wat vraag je?
A. Hoe gaat het?
B. Hoe laat is het?
C. Waar is het toilet?
7.
Je spreekt nog niet zo goed Nederlands. Wat kun je zeggen?
A. Ik woon in Nederland.
B. Ik spreek een beetje Nederlands.
C. Ik heet Anna.
8.
Je vertrekt uit een winkel. Wat zeg je?
A. Tot ziens.
B. Goedemiddag.
C. Hoe gaat het?
9.
Je wilt dat iemand een zin nog een keer zegt. Wat vraag je?
A. Waar kom je vandaan?
B. Kunt u dat herhalen?
C. Hoeveel kost het?
10.
Je ontmoet iemand voor de eerste keer. Wat zeg je?
A. Ik heet Tom.
B. Graag gedaan.
C. Tot morgen.
