Werkwoorden met bij-
- bijhouden – op de hoogte blijven of iets regelmatig aanvullen.
Ik probeer het nieuws dagelijks bij te houden. - bijdragen – helpen om iets te bereiken.
Iedereen kan bijdragen aan een goede werksfeer. - bijleren – nieuwe kennis of vaardigheden leren.
Ik wil naast mijn werk nog wat bijleren. - bijscholen – extra opleiding volgen om kennis of vaardigheden te verbeteren.
Het bedrijf biedt medewerkers de mogelijkheid om zich bij te scholen. - bijverdienen – extra geld verdienen naast je gewone inkomen.
Zij verdient bij door in het weekend te werken. - bijbetalen – extra geld betalen.
Voor een grotere kamer moet je bijbetalen. - bijbestellen – extra bestellen.
We hebben te weinig eten, dus ik ga nog wat bijbestellen. - bijboeken – iets extra reserveren of boeken.
We hebben een extra nacht bij het hotel bijgeboekt. - bijwonen – aanwezig zijn bij een gebeurtenis, vergadering of activiteit.
Morgen ga ik een belangrijke vergadering bijwonen. - bijstaan – iemand helpen of ondersteunen.
Mijn collega heeft me tijdens het project goed bijgestaan. - bijspringen – tijdelijk helpen wanneer dat nodig is.
Kun je vanmiddag even bijspringen? - bijvoegen – iets extra toevoegen.
Ik heb de factuur als bijlage bijgevoegd. - bijwerken – iets aanvullen of aanpassen zodat het actueel is.
Ik moet mijn cv nog bijwerken. - bijstellen – iets aanpassen omdat het niet meer helemaal klopt.
We moeten onze planning bijstellen. - bijpraten – met iemand praten om elkaar op de hoogte te brengen van wat er is gebeurd.
We hebben elkaar al maanden niet gezien. Laten we binnenkort bijpraten. - bijtanken – opnieuw energie krijgen; letterlijk ook brandstof toevoegen.
Na een drukke week heb ik tijd nodig om bij te tanken. - bijten – met de tanden vastgrijpen; figuurlijk kan het betekenen dat iets moeilijk is.
Deze opdracht is behoorlijk ingewikkeld; ik moet er even op bijten. - bijbouwen – iets extra bouwen aan een bestaand gebouw.
Ze willen een extra kamer bijbouwen. - bijschrijven – een bedrag op een rekening zetten.
Het salaris wordt aan het einde van de maand bijgeschreven. - bijhouden – een administratie, overzicht of registratie actueel houden.
Ik houd mijn urenregistratie goed bij.
Oefening I – Vul het juiste werkwoord in
Kies uit:
bijhouden – bijdragen – bijleren – bijscholen – bijverdienen – bijbetalen – bijbestellen – bijboeken – bijwonen – bijstaan
- Mijn collega gaat mij tijdens de eerste weken op het werk __________ zodat ik snel mijn weg kan vinden.
- Als je deze cursus volgt, kun je veel nieuwe vaardigheden __________.
- Het bedrijf organiseert regelmatig cursussen om medewerkers te __________.
- Wil je nog een kop koffie? Dan kan ik er meteen een __________.
- Voor een grotere hotelkamer moesten we €50 __________.
- Zij werkt twee avonden per week in een restaurant om wat extra geld te __________.
- Alle medewerkers moeten actief __________ aan een goede werksfeer.
- Ik probeer mijn administratie goed __________, zodat ik altijd weet hoeveel ik heb uitgegeven.
- Morgen moet ik een belangrijke vergadering __________.
- We hebben besloten om nog twee nachten in het hotel te __________.
Oefening II – Kies de juiste vorm
Kies het juiste werkwoord en zet het in de juiste vorm.
Kies uit:
bijwerken – bijstellen – bijpraten – bijspringen – bijvoegen – bijtanken – bijbouwen – bijschrijven – bijstaan – bijhouden
- Ik heb mijn cv gisteren nog __________ voordat ik het naar de werkgever stuurde.
- Kun je morgen even __________? We hebben iemand nodig die de klanten kan helpen.
- Na de vakantie hebben we afgesproken om uitgebreid __________.
- De planning klopt niet meer, dus we moeten die __________.
- Ik heb het ondertekende document als bijlage __________.
- Na een paar drukke weken moet ik echt even __________.
- De bank heeft het bedrag gisteren op mijn rekening __________.
- Omdat het gezin groter wordt, willen ze een extra slaapkamer __________.
- Mijn assistent __________ alle afspraken en deadlines zorgvuldig __________.
- Tijdens mijn eerste maanden in het bedrijf werd ik goed __________ door mijn manager.
