Antwoorden voor de test

  1. A — sta
  2. B — ben
  3. C — in
  4. B — mij
  5. B — want
  6. A — begint
  7. D — —
  8. A — bij
  9. B — omdat
  10. A — ben verloren
  11. B — had
  12. B — of
  13. A — blijven
  14. A — om
  15. C — in
  16. A — verstaan
  17. A — reizen
  18. A — de
  19. A — haar kon
  20. C — om
  21. A — moeilijker te zijn
  22. B — had
  23. A — wist
  24. C — omdat
  25. A — zou worden afgerond
  26. A — begeleiden
  27. D — hoe moeilijker
  28. A — dat hij
  29. B — om
  30. A — werd

Uitslag

0–12 punten → A2
Je beheerst de basis van het Nederlands en kunt je in eenvoudige dagelijkse situaties redden.

13–22 punten → B1
Je kunt je redelijk zelfstandig uitdrukken en begrijpt veel alledaagse en werkgerelateerde situaties.

23–30 punten → B2
Je beheerst complexere grammatica en kunt je duidelijk en vrij zelfstandig uitdrukken in verschillende situaties.