- A — sta
- B — ben
- C — in
- B — mij
- B — want
- A — begint
- D — —
- A — bij
- B — omdat
- A — ben verloren
- B — had
- B — of
- A — blijven
- A — om
- C — in
- A — verstaan
- A — reizen
- A — de
- A — haar kon
- C — om
- A — moeilijker te zijn
- B — had
- A — wist
- C — omdat
- A — zou worden afgerond
- A — begeleiden
- D — hoe moeilijker
- A — dat hij
- B — om
- A — werd
Uitslag
0–12 punten → A2
Je beheerst de basis van het Nederlands en kunt je in eenvoudige dagelijkse situaties redden.
13–22 punten → B1
Je kunt je redelijk zelfstandig uitdrukken en begrijpt veel alledaagse en werkgerelateerde situaties.
23–30 punten → B2
Je beheerst complexere grammatica en kunt je duidelijk en vrij zelfstandig uitdrukken in verschillende situaties.
