De meest gebruikte werkwoorden en uitdrukkingen met nemen (B1)
1. aannemen
Betekenis:
- accepteren
- denken dat iets waar is
Voorbeelden:
- Ze heeft de baan aangenomen.
- Ik neem aan dat je morgen komt.
2. meenemen
Betekenis:
Iemand of iets met je laten meegaan.
Voorbeelden:
- Vergeet je paspoort niet mee te nemen.
- Mag ik een vriend meenemen?
3. opnemen
Betekenis:
- registreren
- de telefoon beantwoorden
- iemand in het ziekenhuis opnemen
Voorbeelden:
- Kun je de telefoon opnemen?
- Ik heb het gesprek opgenomen.
- Hij werd opgenomen in het ziekenhuis.
4. overnemen
Betekenis:
Een taak, werk of bedrijf van iemand anders overnemen.
Voorbeelden:
- Kun jij mijn dienst overnemen?
- Een groot bedrijf heeft de fabriek overgenomen.
5. ondernemen
Betekenis:
Actie ondernemen of ergens mee beginnen.
Voorbeelden:
- We moeten snel actie ondernemen.
- De politie onderneemt onderzoek.
6. doornemen
Betekenis:
Iets zorgvuldig bekijken of bespreken.
Voorbeelden:
- Laten we de presentatie samen doornemen.
- Heb je de lesstof al doorgenomen?
7. innemen
Betekenis:
- medicijnen slikken
- een plaats bezetten
Voorbeelden:
- Neem de medicijnen na het eten in.
- Het leger nam de stad in.
8. afnemen
Betekenis:
- minder worden
- een toets of examen afnemen
Voorbeelden:
- De pijn neemt af.
- Morgen neemt de docent een examen af.
9. toenemen
Betekenis:
Groter of sterker worden.
Voorbeelden:
- De werkdruk neemt toe.
- De belangstelling voor de cursus neemt toe.
10. deelnemen aan
Betekenis:
Meedoen aan een activiteit.
Voorbeelden:
- Ik neem deel aan een cursus.
- Meer dan honderd mensen namen deel aan de wedstrijd.
11. contact opnemen met
Betekenis:
Contact zoeken.
Voorbeelden:
- Neem contact op met de klantenservice.
- Ik zal morgen contact met je opnemen.
12. afscheid nemen van
Betekenis:
Vaarwel zeggen.
Voorbeelden:
- Ze nam afscheid van haar collega’s.
- Morgen nemen we afscheid van onze docent.
13. een beslissing nemen
Betekenis:
Beslissen.
Voorbeelden:
- We moeten vandaag een beslissing nemen.
- Het is moeilijk om een goede beslissing te nemen.
14. iets in overweging nemen
Betekenis:
Er serieus over nadenken voordat je beslist.
Voorbeelden:
- We nemen jouw voorstel in overweging.
- Ik zal dat zeker in overweging nemen.
Oefening I – Meerkeuze
Kies het juiste antwoord.
1. Ik ________ dat de vergadering om tien uur begint.
- A. neem mee
- B. neem aan
- C. neem over
2. Vergeet je identiteitskaart niet ________.
- A. mee te nemen
- B. over te nemen
- C. op te nemen
3. Kun jij morgen mijn les ________?
- A. doornemen
- B. overnemen
- C. aannemen
4. De arts besloot hem in het ziekenhuis ________.
- A. op te nemen
- B. mee te nemen
- C. af te nemen
5. Laten we het contract eerst goed ________ voordat we tekenen.
- A. ondernemen
- B. doornemen
- C. deelnemen
6. De patiënt moet de medicijnen na het eten ________.
- A. innemen
- B. meenemen
- C. ondernemen
7. De belangstelling voor online cursussen blijft ________.
- A. afnemen
- B. toenemen
- C. aannemen
8. Morgen ga ik ________ een cursus Nederlands.
- A. contact opnemen met
- B. deelnemen aan
- C. een beslissing nemen
9. Als je vragen hebt, kun je altijd ________ de docent.
- A. contact opnemen met
- B. afscheid nemen van
- C. deelnemen aan
10. We moeten vandaag nog ________ over het nieuwe project.
- A. afscheid nemen
- B. een beslissing nemen
- C. iets innemen
Oefening II – Vul het juiste werkwoord of de juiste uitdrukking in
Gebruik:
aannemen – meenemen – opnemen – overnemen – ondernemen – doornemen – innemen – afnemen – toenemen – deelnemen aan – contact opnemen met – afscheid nemen van – een beslissing nemen – in overweging nemen
- Kun je morgen __________________ de klanten? Zij wachten al een week op antwoord.
- De docent wil de toets vandaag __________________.
- We moeten eerst alle mogelijkheden __________________ voordat we een keuze maken.
- Mijn collega is ziek. Kun jij haar werkzaamheden __________________?
- De politie moet snel actie __________________.
- Vergeet niet je medicijnen op tijd __________________.
- De temperatuur zal vanmiddag sterk __________________.
- Ik __________________ dat iedereen de opdracht heeft gemaakt.
- Volgende maand ga ik __________________ een congres.
- Morgen moeten we __________________ over de verhuizing.
- Aan het einde van de avond namen we __________________ onze gasten.
- Neem je laptop even __________________? Dan kunnen we samen werken.
- De directie zal jouw voorstel __________________.
- De pijn begon gelukkig langzaam __________________.
Oefening III – Schrijf het juiste werkwoord
Vul het ontbrekende werkwoord met nemen in. Let op de juiste vorm.
- We __________ afscheid van onze oude buren voordat we verhuisden.
- De manager __________ gisteren een moeilijke beslissing.
- Ik __________ contact met de klantenservice omdat mijn bestelling niet was aangekomen.
- Zij __________ de uitnodiging direct aan.
- Heb je de nieuwe lesstof al __________?
- De dokter zei dat ik de medicijnen drie keer per dag moest __________.
- Kun jij mijn taak morgen __________?
- Het aantal toeristen __________ ieder jaar toe.
- De docent __________ de examens volgende week af.
- Na lang nadenken __________ we zijn voorstel in overweging.
