Dieren – Woorden (A1–A2)
- de hond – een huisdier dat graag speelt en blaft
- de kat – een huisdier dat miauwt
- het konijn – een klein dier met lange oren
- de hamster – een klein knaagdier dat vaak als huisdier wordt gehouden
- de cavia – een klein huisdier met een ronde kop en korte pootjes
- het paard – een groot dier waarop je kunt rijden
- de koe – een boerderijdier dat melk geeft
- het schaap – een dier met een dikke wollen vacht
- de geit – een boerderijdier met hoorns dat goed kan klimmen
- het varken – een roze boerderijdier
- de kip – een vogel die eieren legt
- de haan – een mannelijke kip
- de eend – een vogel die goed kan zwemmen
- de gans – een grote watervogel met een lange nek
- de vogel – een dier met veren en vleugels
- de vis – een dier dat in het water leeft
- de muis – een klein knaagdier met een lange staart
- de egel – een klein dier met stekels
- de vos – een wild dier met een rode vacht en een pluimstaart
- het hert – een wild dier met lange poten; het mannetje heeft vaak een gewei
Oefening I – Vul het juiste dier in
de hond – de kat – het konijn – de hamster – de cavia – het paard – de koe – het schaap – de geit – het varken – de kip – de haan – de eend – de gans – de vogel – de vis – de muis – de egel – de vos – het hert
- Dit dier geeft melk en leeft op een boerderij. → ______________________
- Dit dier miauwt en vangt soms muizen. → ______________________
- Dit dier heeft lange oren en eet graag wortels. → ______________________
- Dit dier leeft in het water en kan zwemmen. → ______________________
- Dit dier blaft en wordt vaak als huisdier gehouden. → ______________________
- Dit dier legt eieren op de boerderij. → ______________________
- Dit dier heeft stekels op zijn rug. → ______________________
- Dit dier heeft vaak een gewei en leeft in het bos. → ______________________
- Dit dier hinnikt en mensen kunnen erop rijden. → ______________________
- Dit dier kraait ‘s morgens vroeg. → ______________________
- Dit dier heeft een rode vacht en een lange pluimstaart. → ______________________
- Dit dier zegt ‘mee’ en heeft een wollen vacht. → ______________________
- Dit dier knabbelt graag aan kaas in verhalen. → ______________________
- Dit dier zwemt vaak in een vijver en kwaakt niet. → ______________________
- Dit kleine huisdier rent vaak in een rad. → ______________________
- Dit boerderijdier knort. → ______________________
- Dit dier heeft vaak hoorns en kan goed klimmen. → ______________________
- Dit kleine huisdier lijkt op een hamster, maar heeft geen staart. → ______________________
- Dit dier kan vliegen en bouwt een nest. → ______________________
- Dit is een grote watervogel met een lange nek. → ______________________
Oefening II – Multiple choice
1.
Welk dier geeft melk?
A. de geit
B. de koe
C. de vos
2.
Welk dier heeft stekels?
A. de egel
B. de muis
C. de kip
3.
Welk dier leeft in een aquarium?
A. de vis
B. de gans
C. het schaap
4.
Welk dier wordt vaak ‘de beste vriend van de mens’ genoemd?
A. de hond
B. de kat
C. het konijn
5.
Welk dier legt eieren?
A. het paard
B. de kip
C. de koe
6.
Welk dier heeft lange oren?
A. de cavia
B. het konijn
C. de hamster
7.
Welk dier rijdt een ruiter?
A. de geit
B. het paard
C. de vos
8.
Welk dier miauwt?
A. de kat
B. de hond
C. de vogel
9.
Welk dier leeft meestal in het bos?
A. het hert
B. de kip
C. de cavia
10.
Welk dier zegt ‘boe’?
A. het varken
B. de koe
C. de gans
11.
Welk dier vliegt?
A. de vogel
B. de vis
C. het schaap
12.
Welk dier leeft vaak op een boerderij en heeft een wollen vacht?
A. de geit
B. het schaap
C. de eend
13.
Welk dier heeft meestal een rode vacht?
A. de vos
B. de hond
C. de geit
14.
Welk dier zwemt vaak in een vijver?
A. de eend
B. de hamster
C. de muis
15.
Welk dier is een klein huisdier zonder staart?
A. de cavia
B. de vos
C. de haan
