had moeten + infinitief
= iets was nodig / verplicht / het juiste om te doen, maar het is niet gebeurd
—vaak met kritiek, spijt of verwijt
Voorbeelden:
- Je had beter moeten leren. (= dat was nodig)
- Je had me moeten bellen.
- We hadden op tijd moeten vertrekken.
had kunnen + infinitief
= iets was mogelijk, maar het is niet gebeurd
—geen verplichting, alleen een gemiste kans
Voorbeelden:
- Je had me kunnen bellen. (= maar je deed het niet)
- We hadden nog koffie kunnen drinken.
- Hij had sneller kunnen reageren.
Oefening I
Kies had moeten doen vs. had kunnen doen
1.
Je was te laat. Je ________ eerder vertrekken.
☐ had moeten vertrekken
☐ had kunnen vertrekken
2.
Waarom heb je me niet gebeld? Je ________ me altijd bellen.
☐ had moeten bellen
☐ had kunnen bellen
3.
Hij kent de stad niet. Hij ________ een navigatie-app gebruiken.
☐ had moeten gebruiken
☐ had kunnen gebruiken
4.
Je bent gezakt voor het examen. Je ________ beter leren.
☐ had moeten leren
☐ had kunnen leren
5.
De winkel was nog open. We ________ nog brood kopen.
☐ hadden moeten kopen
☐ hadden kunnen kopen
6.
Hij is ziek geworden omdat hij zonder jas naar buiten ging. Hij ________ een jas aantrekken.
☐ had moeten aantrekken
☐ had kunnen aantrekken
7.
De trein had vertraging. We ________ nog een kop koffie drinken.
☐ hadden moeten drinken
☐ hadden kunnen drinken
8.
Je wist dat het ging regenen. Je ________ een paraplu meenemen.
☐ had moeten meenemen
☐ had kunnen meenemen
9.
Er waren nog plaatsen vrij in het restaurant. We ________ daar eten.
☐ hadden moeten eten
☐ hadden kunnen eten
10.
Je hebt de deadline gemist. Je ________ eerder beginnen.
☐ had moeten beginnen
☐ had kunnen beginnen
11.
Ze voelde zich niet goed. Ze ________ thuisblijven.
☐ had moeten thuisblijven
☐ had kunnen thuisblijven
12.
Er was nog genoeg tijd. We ________ eerst een wandeling maken.
☐ hadden moeten maken
☐ hadden kunnen maken
13.
Hij reed veel te hard. Hij ________ langzamer rijden.
☐ had moeten rijden
☐ had kunnen rijden
14.
De tickets waren nog beschikbaar. Jullie ________ ze online kopen.
☐ hadden moeten kopen
☐ hadden kunnen kopen
15.
Je hebt een fout gemaakt omdat je niet goed luisterde. Je ________ beter opletten.
☐ had moeten opletten
☐ had kunnen opletten
