Werkwoorden met ‘geven’

Oefening – werkwoorden met ‘geven’

Woorden:

  • aangeven
  • opgeven
  • doorgeven
  • teruggeven
  • geld uitgeven aan
  • afgeven
  • overgeven
  • prijsgeven
  • vrijgeven
  • uit handen geven
  • gelegenheid geven
  • gelijk geven
  • aandacht geven
  • antwoord geven
  • voorrang geven aan
  • toegeven

Vul de juiste uitdrukking in de zinnen in. Let op de juiste vorm!

  1. Kun je me even __________ wanneer de vergadering begint?
  2. Ik heb besloten om __________ het openbaar vervoer in plaats van aan een auto.
  3. De dokter zei dat ik het medicijn meteen moest __________ bij de apotheek.
  4. Kun je mijn bericht __________ aan de manager?
  5. Ik moet helaas mijn plaats __________ aan iemand die er meer behoefte aan heeft.
  6. Na een paar minuten begon de zieke patiënt __________.
  7. Hij wilde eerst niet __________ dat hij een fout had gemaakt.
  8. Kun je me mijn boek morgen __________?
  9. De politie wilde geen details over het onderzoek __________.
  10. De directeur heeft toestemming __________ om de informatie openbaar te maken.
  11. Tijdens het gesprek moet je goed __________ wat de andere persoon zegt.
  12. Ik moet je __________: je hebt deze keer helemaal __________.
  13. De docent wil alle studenten de __________ om hun mening te geven.
  14. Kun je eindelijk __________ op mijn vraag?
  15. Bij deze baan moet je soms belangrijke taken __________ aan een collega.
  16. Als je niet op tijd betaalt, kun je je voor de cursus niet meer __________.

PDF met de oefening en antwoorden