Oefening – werkwoorden met ‘geven’
Woorden:
- aangeven
- opgeven
- doorgeven
- teruggeven
- geld uitgeven aan
- afgeven
- overgeven
- prijsgeven
- vrijgeven
- uit handen geven
- gelegenheid geven
- gelijk geven
- aandacht geven
- antwoord geven
- voorrang geven aan
- toegeven
Vul de juiste uitdrukking in de zinnen in. Let op de juiste vorm!
- Kun je me even __________ wanneer de vergadering begint?
- Ik heb besloten om __________ het openbaar vervoer in plaats van aan een auto.
- De dokter zei dat ik het medicijn meteen moest __________ bij de apotheek.
- Kun je mijn bericht __________ aan de manager?
- Ik moet helaas mijn plaats __________ aan iemand die er meer behoefte aan heeft.
- Na een paar minuten begon de zieke patiënt __________.
- Hij wilde eerst niet __________ dat hij een fout had gemaakt.
- Kun je me mijn boek morgen __________?
- De politie wilde geen details over het onderzoek __________.
- De directeur heeft toestemming __________ om de informatie openbaar te maken.
- Tijdens het gesprek moet je goed __________ wat de andere persoon zegt.
- Ik moet je __________: je hebt deze keer helemaal __________.
- De docent wil alle studenten de __________ om hun mening te geven.
- Kun je eindelijk __________ op mijn vraag?
- Bij deze baan moet je soms belangrijke taken __________ aan een collega.
- Als je niet op tijd betaalt, kun je je voor de cursus niet meer __________.
