Nederlandse Niveautest A2–B2
Deze test bestaat uit 30 meerkeuzevragen. De vragen worden geleidelijk moeilijker, maar het niveau wordt niet aangegeven.
Kies telkens het beste antwoord: A, B, C of D.
Elke vraag is 1 punt waard.
1. Ik ___ elke dag om zeven uur op.
A. sta
B. staat
C. staan
D. opstaan
2. Gisteren ___ ik naar de supermarkt gegaan.
A. heb
B. ben
C. was
D. had
3. Mijn broer woont ___ Amsterdam.
A. op
B. bij
C. in
D. naar
4. Kun je ___ even helpen?
A. ik
B. mij
C. mijn
D. me
5. Ik heb geen tijd, ___ ik moet morgen werken.
A. maar
B. want
C. omdat
D. hoewel
6. Hoe laat ___ je morgen?
A. begint
B. begin
C. begonnen
D. beginnen
7. Ik drink ‘s morgens altijd ___ koffie.
A. een
B. het
C. wat
D. —
8. Zij werkt al drie jaar ___ dit bedrijf.
A. bij
B. aan
C. op
D. naar
9. We gaan morgen naar het strand, ___ het mooi weer is.
A. maar
B. omdat
C. hoewel
D. dus
10. Ik ben mijn sleutels ___. Ik kan ze nergens vinden.
A. vergeten
B. verloren
C. verliezen
D. vergeet
11. Toen ik thuiskwam, ___ mijn man al gegeten.
A. heeft
B. had
C. is
D. was
12. Ik weet niet ___ hij morgen komt.
A. dat
B. of
C. wat
D. wanneer
13. Als het morgen regent, ___ we thuis.
A. blijven
B. blijven we
C. we blijven
D. gebleven
14. Ze heeft besloten ___ een nieuwe baan te zoeken.
A. om
B. voor
C. dat
D. —
15. Ik ben geïnteresseerd ___ kunst en geschiedenis.
A. voor
B. op
C. in
D. aan
16. Hij spreekt zo zacht dat ik hem nauwelijks kan ___.
A. verstaan
B. begrijpen
C. horen
D. luisteren
17. Ik zou graag ___ als ik meer tijd had.
A. reizen
B. reis
C. gereisd
D. te reizen
18. Ondanks ___ regen gingen we wandelen.
A. de
B. het
C. een
D. —
19. Ze vroeg me of ik ___ helpen.
A. haar kon
B. kon haar
C. haar kan
D. kan haar
20. Ik heb mijn collega gevraagd ___ het rapport vandaag af te maken.
A. dat
B. of
C. om
D. —
21. Het blijkt ___ dan we aanvankelijk dachten.
A. moeilijker te zijn
B. te zijn moeilijker
C. moeilijker zijn
D. dat het moeilijker te zijn
22. Als ik meer geld ___, zou ik een huis kopen.
A. heb
B. had
C. zou hebben
D. heb gehad
23. Hij beweert dat hij niets ___ van het probleem.
A. wist
B. weet
C. geweten
D. zou weten
24. De vergadering werd uitgesteld, ___ de directeur ziek was.
A. ondanks
B. vanwege
C. omdat
D. daardoor
25. Ik had niet verwacht dat het project zo snel ___.
A. zou worden afgerond
B. zou worden afgeronden
C. werd afgerond zou
D. afgerond zou worden
26. Ze heeft veel ervaring met het ___ van internationale klanten.
A. begeleiden
B. begeleid
C. begeleiding
D. begeleidt
27. Hoe langer je wacht, ___ het wordt om een beslissing te nemen.
A. moeilijk
B. moeilijker
C. het moeilijker
D. hoe moeilijker
28. Hij gaf toe ___ een fout had gemaakt.
A. dat hij
B. dat hij een
C. om hij
D. hij dat
29. De nieuwe regels zijn bedoeld ___ de veiligheid te verbeteren.
A. voor
B. om
C. zodat
D. dat
30. Hoewel het voorstel aanvankelijk veel kritiek kreeg, ___ het uiteindelijk toch aangenomen.
A. werd
B. is
C. werd het
D. het werd
