Woorden met ‘halen’ en ‘kijken’

Werkwoorden met halen

1. binnenhalen

= iets of iemand verkrijgen / winnen / aantrekken
Voorbeeld: Het bedrijf heeft een grote klant binnengehaald.


2. weghalen

= iets verwijderen of ergens vandaan nemen
Voorbeeld: De politie haalde de obstakels weg.


3. ophalen

= iemand of iets ergens gaan halen
Voorbeeld: Ik haal de kinderen op van school.


4. afhalen

= iets ophalen dat klaarstaat (winkel, restaurant, pakket)
Voorbeeld: Ik ga mijn bestelling afhalen.


5. aanhalen

= 1) citeren / noemen
= 2) contact versterken (emotioneel)
Voorbeeld: Hij haalde een bekende studie aan.


6. doorhalen

= iets ongeldig maken door er een streep door te zetten
Voorbeeld: De docent haalde het foute antwoord door.


7. inhalen

= 1) voorbijgaan (verkeer/sport)
= 2) achterstand goedmaken
Voorbeeld: De fietser haalde de auto in.


8. bijhalen

= iets of iemand erbij halen / toevoegen
Voorbeeld: Kun je er nog een voorbeeld bijhalen?


9. uithalen

= 1) een plotselinge beweging maken (vaak slaan)
= 2) iets doen met veel kracht
Voorbeeld: Hij haalde hard uit naar de bal.


10. neerhalen

= iets naar beneden halen / laten vallen
Voorbeeld: De storm haalde de boom neer.


11. ademhalen

= lucht in- en uitademen
Voorbeeld: Door de inspanning kon hij moeilijk ademhalen.


Oefening: woorden met ‘halen’

Kies uit:

binnenhalen – weghalen – ophalen – afhalen – aanhalen – doorhalen – inhalen – bijhalen – uithalen – neerhalen – ademhalen

1.

De politie wist gisteren een belangrijke verdachte eindelijk __________.

2.

Kun je vanmiddag de kinderen van school __________?

3.

Voordat je het contract ondertekent, moet je eerst diep __________ en alles nog eens rustig lezen.

4.

In zijn artikel __________ de journalist verschillende onderzoeken om zijn standpunt te ondersteunen.

5.

De ober kwam meteen de lege glazen __________.

6.

De hardloper wist in de laatste honderd meter nog twee concurrenten __________.

7.

De docent zette een streep door het verkeerde antwoord en __________ het vervolgens.

8.

De voetbalclub wil deze zomer een ervaren verdediger __________.

9.

Na de storm moesten de brandweerlieden een aantal gevaarlijke takken __________.

10.

De ober zei dat we de bestelling over tien minuten konden __________.

11.

Tijdens de ruzie __________ hij plotseling naar zijn collega, maar gelukkig raakte hij hem niet.

12.

De piloot moest het vliegtuig onmiddellijk __________ vanwege de hevige storm.

13.

De advocaat vroeg zijn assistent om er nog een belangrijk document __________.

14.

Ons bedrijf heeft dit jaar drie grote internationale klanten weten __________.

15.

Na de zomervakantie moesten veel leerlingen hun leerachterstand __________.

Werkwoorden met kijken

1. inkijken

= ergens in kijken / een document of dossier bekijken
Voorbeeld: Je mag mijn contract inkijken.


2. nakijken

= controleren op fouten
Voorbeeld: Kun je mijn huiswerk nakijken?


3. aankijken

= iemand recht aankijken / iemand in de ogen kijken
Voorbeeld: Hij durfde haar niet aan te kijken.


4. terugkijken

= 1) naar het verleden kijken (denken aan vroeger)
= 2) een video of uitzending opnieuw bekijken
Voorbeeld: Ik kijk met plezier terug op mijn studie.


5. afkijken

= spieken / iets van iemand anders kopiëren
Voorbeeld: Je mag niet afkijken tijdens de toets.


6. meekijken

= samen met iemand kijken / controleren terwijl iemand iets doet
Voorbeeld: De docent keek even mee tijdens de opdracht.


7. uitkijken

= 1) opletten / voorzichtig zijn
= 2) ergens naar uitkijken (iets verwachten met plezier)
Voorbeeld: Pas op, kijk uit!
Voorbeeld: Ik kijk uit naar de vakantie.


8. opkijken

= 1) omhoog kijken
= 2) verbaasd zijn / respect hebben voor iemand
Voorbeeld: Iedereen keek op toen hij de klas binnenkwam.
Voorbeeld: Ik kijk erg tegen haar op.


Oefening: woorden met ‘kijken’

inkijken – nakijken – aankijken – terugkijken – afkijken – meekijken – uitkijken – opkijken

1.

Kun je mijn verslag even __________? Ik weet niet zeker of er nog taalfouten in staan.

2.

Tijdens het examen probeerde een leerling stiekem bij zijn buurman __________.

3.

Als je wilt, kan de docent straks even met je opdracht __________.

4.

Toen ik de oude foto’s zag, moest ik glimlachen. Ik __________ met veel plezier __________ op mijn studententijd.

5.

Ik begrijp deze belastingbrief niet. Kun jij hem even __________?

6.

De kinderen moesten goed __________ voordat ze de straat overstaken.

7.

Hij durfde de directeur nauwelijks __________ toen hij kritiek kreeg.

8.

Iedereen __________ naar de lucht toen er ineens een helikopter overvloog.

9.

Voordat je het contract ondertekent, moet je het goed __________.

10.

Pas __________ voor de fietsers! Ze rijden hier vaak erg hard.

11.

Ze __________ bewonderend __________ naar haar oudere zus, die arts is geworden.

12.

Ik mocht tijdens de presentatie even __________ op het scherm van mijn collega om te zien welke dia hij bedoelde.

13.

Na twintig jaar __________ hij met trots __________ op zijn carrière.

14.

De docent zag dat twee studenten probeerden __________ tijdens de toets.

15.

Wil je even __________? Ik twijfel of ik deze berekening goed heb gemaakt.

PDF met oefeningen en antwoorden